Op de pijp met... Arie van Staalduinen

Redactie 05-09-2021
Foto: Ton van Zeijl

Even pauze. Even op de pijp. Bakkie doen, praatje maken. Met en over bijzondere Westlanders. Westlanders met een verhaal. Over Westlandse waarden, en over heden, verleden en toekomst. Deze keer praten we met: Arie van Staalduinen.

Tekst: Esdor van Elten / Foto: Ton van Zeijl

Arie van Staalduinen (90) is één van de Westlanders die van start ging in de Elfstedentocht van 1963, later bekend als 'De Hel van '6'. Hij mag nog graag herinneringen ophalen aan zijn tijd als schaatser en zijn ervaringen op de 'tocht der tochten'. "De sinaasappels die ik bij me had waren zo hard als ijzer." Arie is getrouwd met Karola. Ze wonen in 's-Gravenzande. Samen hebben ze twee zonen

Van wie ben jij er één?

Ik ben een Van Staalduinen, geboren en getogen in 's-Gravenzande waar ik opgroeide in een gezin met vijf kinderen. Ik heb twee broers en twee zussen, maar helaas ben ik de enige die nog leeft. Het was een echt Westlands tuindersgezin. Mijn vader teelde van alles. Druiven natuurlijk, maar bijvoorbeeld ook asperges, die hij leverde aan De Spaansche Vloot, het restaurant in het centrum van 's-Gravenzande.

En zelf ben je ook tuinder geworden...

Dat wilde ik ook graag. Lekker buiten zijn. Na de openbare lagere school in 's-Gravenzande en de Tuinbouwschool heb ik eerst bij mijn vader gewerkt. Op een gegeven moment namen mijn twee broers en ik de tuin over. We tuinden aan de Noordlandseweg. Dicht bij wat toen 'het spookhuis' werd genoemd. Een oude schuur waar nogal eens jonge stelletjes naartoe gingen om een beetje te scharrelen. Die zagen nog wel eens schimmen. Op de anderhalf hectare die ik had hebben we ook van alles geteeld. Paksoi, amsoi, kaisoi, broccoli.... we waren één van de eersten die cherrytomaten gingen telen en we waren ook één van de eerste met ijsbergsla. Een mooie tijd. Uiteindelijk heeft mijn zoon de tuin overgenomen. Maar die is uitgekocht door de gemeente. We hebben heel lang op de tuin gewoond. Pas vijf jaar geleden zijn we op het dorp komen wonen. Noodgedwongen, want ik was liefst op de tuin gebleven.

Je bent altijd een buitenmens gebleven?

Altijd. Buiten werken, buiten zijn. Ik heb veel gelopen. Zeker in de oorlog, toen moest je wel, want alle fietsen waren door de Duitsers gevorderd. Ik was ook altijd sportief. Hardlopen, fietsen (toen dat weer kon) maar vooral schaatsen.

Dat heb je vast nog op houten schaatsen geleerd...

Niet alleen geleerd. Ook mijn eerste wedstrijden reed ik nog op de houten Friese Doorlopers. Later natuurlijk op Noren. We hadden natuurlijk ook niet van die mooie pakken als tegenwoordig. Ik had gebreid goed onder m'n jas. Een soort zak waar ik dan wat proviand in kon stoppen. Tegen de kou gebruikten we zeemleer, maar dat had ik niet vaak nodig. Ik heb 't niet gauw koud. Vaak reed ik zelfs zonder muts of wanten.

Altijd op natuurijs?

Daar had je in die tijd geen gebrek aan. In de jaren na de oorlog kon je eigenlijk ieder jaar wel buiten op natuurijs schaatsen. In 1946 was het zo koud dat de zee bevroor, tot de dam aan toe. Schaatsen ging daar natuurlijk niet. Het waren schotsen die tegen elkaar aan gekruid lagen. Ik heb er nog foto's van hoe we op een ijsschots zitten. In de winter hadden we een ijsbaan bij 'De Bank, achter het Arendsduin. Ik ging ook wedstrijden doen. Zo reed ik in Amsterdam een keer een wedstrijd. Jeen van den Berg won en koos als prijs een fiets. Ik was dertiende, mijn prijs was een slof sigaretten. Ik was een stevige roker in die tijd.

Je bent nooit echt lid van een ploeg geweest...

Ik reed geregeld tegen andere snelle jongens, ook uit de Nederlandse kernploeg. Maar zelf heb ik de kernploeg nooit gehaald. Op korte afstanden was ik niks. Ik was toch vooral een langeafstandsrijder. En zoiets als marathonschaatsen, dat had je toen nog niet.

Maar wel de Elfstedentocht...

In 1956 heb ik mijn eerste Elfstedentocht gereden. Terwijl ik er niet voor getraind had. Ik zat in Heerenveen en werd door de anderen gevraagd of ik mee wilde.

Dat is niet niks...

Gewoon je verstand op nul zetten en doorgaan. Ik heb 'm netjes uitgereden.

En je hebt ook de 'Hel van 1963' meegemaakt

Ha, ja. Daar hebben ze een film over gemaakt. Knap hoe ze dat gedaan hebben hoor. Maar als je het hebt meegemaakt is het toch effe anders.

Maar hij was zwaar...

Hij was loodzwaar. Het was een barre tocht met achttien graden vorst bij de start. Later kregen we nog harde wind ook. Ik was met een ploegje van zeven. We hadden ons nog net op tijd kunnen inschrijven. Vroeg in de ochtend gingen we weg. Een uur later waren de andere zes al van het ijs, ogen bevroren, oren bevroren..

Daar had jij geen last van?

Ik had het zelfs warm. Bij één van de controleposten wilden ze me met vet insmeren, maar daar moest ik niks van hebben. Wat wel bevroor was m'n eten en drinken. Ik had sinaasappels bij me, nou, die waren zo hard als ijzer. Ik kon dus de hele tijd niks eten of drinken, en er stond niemand langs de kant waar ik wat aan kon vragen. Veel te koud.

Dat lijkt me niet best...

Je droogt helemaal uit. Het jaar daarop heb ik verschillende keren niersteenaanvallen gehad daardoor. De dokter vond dat ik maar twee pilsjes per dag moest nemen om aan te sterken. (lacht).

Is dat de reden dat je de tocht niet uitreed?

Dat hielp natuurlijk niet. Op het eind was ik wel aardig uitgeput ja. Het was tegen die tijd ook meer lopen dan schaatsen, zoveel sneeuw lag er op het ijs. Maar ik besloot te stoppen omdat ik zag dat ik over de tijdslimiet was. Als wedstrijdrijder moest je maximaal twee uur na de winnaar aankomen. 'Als ik dan geen kruisje krijg stop ik er maar mee', dacht ik. 'Als ik weer een lichie zie stap ik af. En dat heb ik ook gedaan. Achteraf bleek op drie kilometer van de finish.

Dat is zonde. Had je daar geen spijt van?

Eerst niet. Ik had 't me voorgenomen en dat doe ik dan ook. Ik stapte af en liet me door een taxi weer naar het startpunt brengen. Daar zag ik nog net hoe Reinier Paping gehuldigd werd. Ik heb 'm later in Hamar nog wel ontmoet. Toen ik ontdekte hoe weinig mensen 'm uitgereden hadden, en hoe weinig het eigenlijk scheelde, kreeg ik wel spijt. Na mij waren er nog zo'n twintig binnengekomen. Sommige twee uur later. De enige Westlander die 'm dat jaar uitreed was Henk van Vliet uit Wateringen. (Henk was 28e in een tijd van 12 uur en 11 minuten. Arie was bepaald niet de enige rijder die afstapte. Van de 568 wedstrijdrijders kwamen er maar 57 binnen de vereiste tijd over de finish. Bij de toertochters was het nog erger: van de 9294 deelnemers haalden maar 69 het felbegeerde kruisje – EvE)

Toch heb je later een kruisje gekregen...

Vijftig jaar later, en dat was een grote verrassing. Het was tijdens de reünie op 18 januari 2013, 50 jaar na de tocht. Willem Nell uit Maasland, gaf mij zijn Elfstedenkruisje. Dat was wel een bijzonder moment.

Na 1963 duurde het heel lang voor er weer een Elfstedentocht was...

Pas in 1985 weer. In de tussentijd was ik allang met schaatsen gestopt. Na de Elfstedentocht heb ik eigenlijk alleen nog maar voor mijn plezier geschaatst. Ik had 't veel te druk met tuinen.

Maar je hebt vast wel gekeken op televisie?

Natuurlijk. Dat moest ik wel zien!

't Was wel iets heel anders hè?

Niet te vergelijken. In 1985 en daarna was het meer een soort carnaval!

Op de pijp met is naar een idee van Peter en Ton van Zeijl.